Herover het debat op de grote waffels

Denker des Vaderlands Daan Roovers blikt in haar essay in de Volkskrant van 19 december terug op 2019, het jaar waarin volgens velen de vrijheid van meningsuiting onder druk is komen te staan. Maar bedoelen we daarmee wel hetzelfde?

Wat hebben journalist Arnold Karskens, de activisten van Extinction Rebellion, ­burgemeester ­Femke Halsema, Geert Wilders, en Mark Zuckerberg in ­politiek opzicht met elkaar gemeen? Ze staan stuk voor stuk pal voor de vrijheid van meningsuiting. Een recht dat van links tot rechts zo hartstochtelijk wordt verdedigd, heeft geen advocaten nodig, zou je denken. Maar waarom wordt dan toch vaak beweerd – ook door deze zelfde mensen – dat deze vrijheid onder druk staat? Bedoelen ze wel hetzelfde?

Even terug naar de oorsprong van dit begrip. Een van de grondleggers, want er zijn er velen, is Spinoza, een onomstreden volksheld. Spinoza woonde in Den Haag ten tijde van de publieke lynch­partij op de gebroeders De Witt, bij hem om de hoek. In zijn Theologisch-politiek Traktaat schrijft hij: ‘Niemand kan immers zijn natuurlijk recht, dat wil zeggen zijn vermogen om vrij te redeneren en te oordelen over welk onderwerp dan ook, op een ander overdragen, noch kan hij daartoe gedwongen worden. (. .) Hierdoor komt het dus dat de politieke macht die zich over de gedachten wil ­uitstrekken als gewelddadig wordt ­beschouwd.’

De kern van Spinoza’s opvatting over de vrijheid van denken en spreken is – en gezien de gebeurtenissen rondom de gebroeders De Witt geen verwonderlijke –dat de politieke macht die vrijheid van de burgers niet mag inperken. Het gaat dus om een verticaal recht: een recht van de burgers jegens het staatsgezag. Dat vind je nog altijd terug in onze formulering van de vrijheid van meningsuiting (art. 7 van de Grondwet): ‘Voor het openbaren van gedachten of gevoelens (. .) heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’ Kortom dit opiniestuk hoeft voor publicatie niet eerst te worden voorgelegd aan een regeringsfunctionaris, maar dat kan rechtstreeks naar De Volkskrant.

Nog een variant, met dezelfde strekking, the First Amendment van de Amerikaanse grondwet. ‘Congress shall make no law (..) abridging the freedom of speech.’ Wat je ook zeggen wilt, de staat zal het je niet beletten.

Politiek gesproken is er in de verste verten niemand te bekennen die aan dit recht wil tornen. Niet in de Nederland, en niet in de Verenigde Staten – we laten Turkije en Rusland hier even buiten beschouwing. Dus wat bedoelen de pleitbezorgers als zij beweren dat ‘de bandbreedte van de vrijheid van meningsuiting versmalt’ (Karskens). De mogelijkheden om je mening te uiten en te verspreiden zijn ongeëvenaard groot, en de overheid heeft geen ambitie dit strikter te controleren. Vanwaar dan toch dat voortdurende gehint op het feit dat de vrijheid van meningsuiting onder druk staat?

Manifesto
Er is iets anders aan de hand. Van een daadwerkelijke inperking is geen sprake, het gaat om verwoording van het gevoel dingen ‘niet te mogen zeggen’. Aangenomen dat het grootste deel van de uitwisseling van opinies tegenwoordig online plaatsvindt, is dat enigszins merkwaardig. Facebook-oprichter Mark Zuckerberg, zelfbenoemd hogepriester van het vrije woord, doopte zijn recente toespraak zelfs om tot een ‘free speech manifesto’: ‘Ik wil een zo breed mogelijke definitie van de vrijheid van menings­uiting verdedigen.’ Er wordt niet naar je geluisterd misschien, of je wordt overschreeuwd door anderen maar taboes zijn er nauwelijks. Je kunt er ongelimiteerd spreken, liken, haten en ook liegen.

Ook Forum voor Democratie-senator Paul Cliteur verdedigde in de Volkskrant (14 december), met een verwijzing naar de Britse filosoof John Stuart Mill, nog zo’n voorvader van de vrijheid van spreken, een zo breed mogelijke diversiteit aan opvattingen: ‘In de clash of opinions komt de waarheid boven.’ En zo is het. Maar het is de vraag of die clash in ons debatklimaat helemaal goed tot zijn recht komt.

Toen ik een paar weken geleden in het programma Nieuwsuur iets mocht vertellen over de boerenprotesten die al ­dagen aan de gang waren, stroomde binnen enkele minuten mijn timeline vol met honderden, grotendeels seksistische reacties. Voor de goede orde: dit kwam waarschijnlijk niet voor rekening van echte boeren, maar van een legertje anonieme trollen – althans, ik neem dat Hendrik Hooivork (ja, zo noemde hij zich echt) niet in werkelijkheid onder die naam door het leven gaat. Het was een onaangenaam, een beetje intimiderend. En ik realiseer me: politici, opiniemakers hebben over het algemeen veel meer te verduren. En toch vroeg ook ik me op dat moment af: heb ik hier zin in? Doe ik dat de volgende keer weer?

Toen ik de kwestie met een aantal mensen besprak, bleek tot mijn verrassing dat verschillende, zowel genuanceerde als meer uitgesproken, collega’s, deze conclusie al eerder hadden getrokken. Met name als het gaat over gepolariseerde onderwerpen – en dat zijn er ­tegenwoordig steeds meer – migratie, populisme, maar ook wetenschap en ­klimaat − doen mensen die geen zin hebben in een potje knokken, er het zwijgen toe.

De eerdergenoemde John Stuart Mill was zeer liberaal, maar hij sluit zijn hoofdstuk ‘Over de vrijheid van denken en spreken’ uit Over vrijheid af met paar opmerkingen over de moraal van de openbare discussie – noodzakelijk om de vrijheid van spreken te garanderen: ‘Wij moeten iedereen veroordelen, aan welke kant hij ook staat, in wiens manier van argumenteren gebrek aan eerlijkheid, kwaadwillendheid, dweepzucht of onverdraagzaamheid tot uiting komt, maar wij mogen deze ondeugden niet ­afleiden uit het standpunt dat iemand inneemt ook al is het tegengesteld aan het onze.’ Die clash of opinions heeft alleen zin als we de moraal van de openbare discussie kunnen handhaven.

Propagandamachine
Dat is precies wat de Brits-Joodse ­komiek Sacha Baron Cohen beweerde in een recente speech waarin hij de ­zwanenzang van Zuckerbergs ‘manifesto’ ­recenseert. Hij noemde de grote sociale-mediaplaforms, the Silicon Six, Facebook voorop, de grootste propagandamachine uit de geschiedenis, die leugens en hatespeech met evenveel enthousiasme verspreiden als feiten en argumenten – over kwaadwilligheid en onverdraagzaamheid gesproken. Zuckerbergs ‘manifesto’ is ideologische prietpraat: ‘We must continue to stand for the freedom of expression.’ Zeker, Mark, maar dat is hier niet het punt: je bent geen politicus, in elk geval nog niet. We vragen je niet de juridische kaders van de vrijheid van meningsuiting te ­bepalen, maar om een zekere orde op je eigen schoolplein te handhaven. En wat het onlinedebat betreft, moeten we in elk geval niet naïef zijn: polarisatie is een verdienmodel. Hoe uitzinniger (extremer, haatdragender) de opvatting, hoe meer aandacht, hoe meer economische waarde deze heeft. Zuckerberg spreekt als ondernemer, als grootkapitalist, en hij wenst in die ambitie met rust gelaten te worden.

Ik denk dat we staan voor het meest fundamentele debat over de vrijheid van spreken sinds Spinoza. De vrijheid van meningsuiting staat niet op het spel, maar het vrije debat wel. Er is geen ­enkele politieke reden om, behoudens de grenzen die we nu hebben (waaronder aanzetten tot geweld) individuen het zwijgen op te leggen, er is wél alle ­reden om instituties en bedrijven aan banden te leggen die het vrije spreken actief en moedwillig hinderen en haat verspreiden. We hebben, zouden ook ­Spinoza en Mill zeggen, een democratie te beschermen.

Dit probleem wordt niet opgelost met een nog sterker beroep op de vrijheid van meningsuiting. Dat is de verkeerde knop om aan te draaien. Het is hoog tijd om het vrije debat te heroveren op de economische grootmachten die er nu mee aan de haal zijn gegaan. De machinerie die garen spint door vooral het geluid van de grote waffels te versterken, moet worden gedemonteerd en aan banden gelegd. Juist in het belang van de vrijheid van meningsuiting.

Dit Essay van Daan Rovers verscheen in de Volkskrant van 19 december 2019.