Bang voor mannen op de crèche: een denkfout

Sinds Robert M. tientallen kinderen seksueel misbruikte op een kinderdagverblijf, zijn er ingrijpende maatregelen genomen: er zijn duizenden extra ramen en glazen deuren gemaakt en duizenden camera’s en babyfoons geïnstalleerd. En binnen de muren van het kinderdagverblijf geldt voortaan het ‘vier-ogenprincipe’: geen enkele medewerker kan nog in zijn eentje een luier verschonen of een kind instoppen.

undefined

Maar de grootste verandering is zonder planning of aanbeveling tot stand gekomen. Er is nauwelijks nog een man te vinden in een kinderdagverblijf - het is er vermoedelijk minder dan 1 op 100, zo meldde de Volkskrant vorige maand. ‘Ouders keken na de Amsterdamse zedenzaak anders naar de man die hun baby verschoonde. Sommigen lieten weten hun kind niet meer bij een man achter te willen laten.’ En sommige mannen vertrokken uit eigen beweging, ze hadden het gevoel dat ze zich moesten verantwoorden.

Wat is er aan de hand? Ouders en bestuurders van kinderdagverblijven zijn bang geworden voor mannen op de crèche en zijn massaal in de valkuil van het beschikbaarheidseffect getuimeld. Begrijpelijk: de Amsterdamse zedenzaak bracht een enorme emotionele schok teweeg en beheerste wekenlang het nieuws. Onze hersenen onthouden bij voorkeur emotioneel gekleurde informatie: - seksueel misbruik, ongelukken, aanslagen - en daardoor schatten we de kans dat zo’n ramp ons overkomt systematisch te hoog in.

Maar wie rationeel nadenkt, moet tot de conclusie komen dat de kans dat een kind slachtoffer wordt van seksueel geweld echt niet groter is geworden. En het is ook niet zo dat elke mannelijke medewerker op een kinderdagverblijf een potentiële kinderlokker is. Het beschikbaarheidseffect heeft er in het geval van de Amsterdamse zedenzaak voor gezorgd dat kinderen onder de twee jaar bij hoge uitzondering een man zien.

Dag diversiteit.